Index.

Tele, groothoek, macro


Tele, groothoek, macro

A. TELE: Brandpuntsafstand f > 80 mm => hoek < 30 graden.
-Inzoomen op het onderwerp (lens naar buiten) => weinig van ver of dichtbij fotograferen:
iets in de verte of een portret.
Na scherpstellen: De rest is onscherp (kleine scherptediepte).
Aanwijzing: Alles toch scherp door knop half in te indrukken en scherp te stellen op
2/3 van de afstand. Daarna camera richten op onderwerp verder weg en afdrukken. 
(Olympus C5050Z: fmax = 105 mm)

B. GROOTHOEK: Brandpuntsafstand f <= 35 mm, bijv 28 mm. 
f = 35 mm => hoek ~ 60 graden, f = 24 mm => hoek bijna 180 graden. 
-Uitzoomen (lens naar binnen) => veel dichtbij halen/ fotograferen.
Na scherpstellen: De rest is ook scherp (grote scherptediepte).
(Olympus C5050Z: fmin = 35 mm)

C. MACRO: Camera nodig die vanaf minstens 6 cm (eventueel 10 cm) kan scherpstellen.
Gedetailleerde beelden van bloesem, kevertjes enzovoort.
-Camera in macrostand zetten. (C5050Z: 20-80 cm)
-Zoom naar maximum groothoek, dus lens naar binnen, zo klein mogelijke brandpuntsafstand (bijv f=28 mm of  f=35 mm). (Olympus C5050Z: f = 35 mm)
-Gebruik de monitor om scherp te stellen. 
(C5050Z: Ook SUPERMACRO. Dan is zoomen en flitsen niet mogelijk. Focusseer met de hand.)

Licht:
-Fotografeer bij diffuus-hel daglicht.
-Belichting door flitsen werkt vaak niet omdat de flitser niet op het onderwerp gericht
is bij zo'n kleine afstand (hij flitst er naast of er boven). 

Lens scherpstellen:
-Zo dicht mogelijk bij het onderwerp scherpstellen door in- of uit te zoomen.
-Blijf boven de minimale afstand tot het onderwerp waarbij je nog kan scherpstellen
(afhankelijk van camera boven 3 of 6 of 10 cm). 
-Gebruik de monitor om scherp te stellen. 

-Als scherpe dichtbijfoto moeilijk te realiseren is rond deze minimale afstand:
a) Maak de lensopening kleiner: ga bijv van 2.8 naar 4.0 of 5.6. De scherptediepte
wordt dan groter.   
b) Daar dan de hoeveelheid licht afneemt moet je langer licht toelaten: de snelheid
moet omlaag. Ga van bijv 1/125 naar 1/60 of 1/30 seconde. 
Ga niet flitsen, want belichting door flitsen werkt vaak niet. De flitser is namelijk niet
op het onderwerp gericht bij zo'n kleine afstand (hij flitst er naast of er boven). 
c) Langer licht toelaten geeft meer kans op bewegingsonscherpte.
Dus dan je lichaam of je handen afsteunen. Beter nog een statief(je) gebruiken..
d) Kies motieven die (bijna) niet bewegen.

-Alleen het onderwerp scherp, dus achtergrond onscherp: 
a) Maak de lensopening groter: ga bijv van f=5.6 naar 4.0 of 2.8. De scherptediepte
wordt dan kleiner, de achtergrond wordt onscherp.   
b) Daar dan de hoeveelheid licht toeneemt moet je minder licht toelaten: de snelheid
moet omhoog. Ga bijv van 1/30 naar 1/60 of 1/125 seconde.    
c) Korter licht toelaten geeft minder kans op bewegingsonscherpte.
Dus werken zonder statief beter mogelijk.
d) Motieven die (enigszins) bewegen zijn nu te kiezen.

(macro1b.wpd,11-03-2008,06-07-2004,p.karduks)

Terug naar de index


Terug naar website foto.karduks.nl